LEESTAFEL




naar overzicht leesstukken

BOERENDOCHTER WORDT GEVIERD BEELDHOUWER

leven en werken van Fré Jeltsema (1879 - 1971)

   

De wegen in Noord-Groningen vormen een geheimzinnig visgraatpatroon. Hier wordt sinds jaar en dag land gewonnen, veroverd op de Wadden. Een goede plek voor grote boerderijen. Rembertus Jeltsema was zo'n grote boer, met twee boerderijen, in het dorp Uithuizen. De familie voerde de naam Jeltsema nog niet zo lang. Eén van hen had in 1811 die achternaam gekozen. Anders was het Gabriëls geworden, ook niet zo'n slechte naam voor een beeldhouwer, dunkt me.



Rembertus en zijn vrouw Anje Westerhuis woonden in 1878 op de "Polderboerderij" toen zij hun eerste kind kregen. Een dochtertje. De eerste van negen. Inderdaad, op één na allemaal dochters. Het oudste kindje werd nog geen twee jaar, de kindersterfte was toen hoog. De tweede dochter, Frederika Engelina, kortweg Free, kwam op 4 oktober van het volgende jaar ter wereld, en werd heel oud: 91 jaar.
Sommige mensen worden wel zwaar getroffen door het lot. Een boer heeft liever een zoon, die hem kan helpen en later het bedrijf kan voortzetten. Maar van al die dochters kozen er drie ook nog eens een kunstzinnig beroep. Dat betekent: ook geen boer als schoonzoon. Want van kunst moesten ze niet veel hebben op het Hogeland, volgens onze autochtone zegslieden. Het verhaal gaat dat een familielid eens een groot schilderij van H.W. Mesdag had afgewimpeld met de woorden: "Wat moet ik met een schilderij?"



Free ging tekenen, Titia zingen en Jansje pianospelen, allemaal met succes. Rembertus en Anje waren dus niet echt simpele boertjes, maar wat je noemt landbouwers, met een ruime kijk op het leven. Ook in de familie van moeder Westerhuis, waar de kinderen Jeltsema vaak gingen spelen, bestond een voor Uithuizen ongebruikelijke kunstzinnige aanleg. De nichtjes Titia Jeltsema en Engeline Westerhuis brachten het allebei tot concertzangeres. Zoon Simon, de achtste, wilde gelukkig wel boeren, en die is tot zijn pensioen op de andere boerderij, de Folckumaheerd, blijven wonen. Maar helaas kinderloos.

 



Uithuizen en zijn polder


Polderboerderij, geboortehuis van Fré Jeltsema


Folckumaheerd, ouderlijk huis van Fré Jeltsema
Foto: sas@hanssasfotografie.nl

 

tekenleraar-beeldhouwer
In Uithuizen kon je natuurlijk niet leren tekenen. Daarom mocht Free na de lagere school naar Groningen om daar bij Academie Minerva de vierjarige opleiding te volgen, van 1892 tot 1896. Van beeldende kunst kan een mens niet leven. Dus schreef Free zich in bij de Rijks Normaalschool in Amsterdam, om in twee jaar tekenlerares te worden. Kunstenaars doen dat wel vaker. Bijvoorbeeld Suze Robertson, die regelmatig in het onderhoud voorzag met het geven van tekenles. Zelf heb ik ook op school een kunstschilder-tekenleraar gehad, die een bescheiden pakket didactiek en pedagogiek had meegekregen. Ik herinner me de bruine aardewerken pot die ik seizoenvullend heb nagetekend. En de grote carbidbrand in het fonteintje, waar penselen gespoeld dienden te worden.
Maar Free was ambitieus en zette haar studie voort aan de Rijksakademie van Beeldende Kunsten in Amsterdam, 1899 tot 1902. Hier leerde zij in haar eerste jaar de beeldhouwer professor Leenhoff kennen, die kort daarop naar Parijs verhuisde. Dat zal een belangrijk contact blijken.

 



Free Jeltsema, Studie van een hand
Noord-Hollands Archief

 

 

 

 

Free Jeltsema, Penning Leenhoff verso, 1905
Collectie Groninger Museum


 
Free Jeltsema, Professor Leenhoff, gipsmodel
Collectie Groninger Museum
 

Ferdinand Leenhoff was in zijn jeugd, met het ouderlijk gezin, zonder zijn vader, van Zaltbommel al eens naar Parijs verhuisd. Zijn zuster Suzanne trad daar met de schilder Edouard Manet in het huwelijk. Hijzelf poseerde als jonge man voor Manet's geruchtmakende schilderij Le déjeuner sur l'herbe. Leenhoff heeft een groot aantal standbeelden gemaakt, onder andere dat van de grote Thorbecke. Geen wonder dat Free door Leenhoff gefascineerd werd.

In sommige geschriften staat dat Jeltsema in het jaar 1901 les heeft gehad van Pier Pander in Rome. In dat jaar zat Free nog op de Rijksakademie. Het juiste jaar is waarschijnlijk 1906, aansluitend op het verblijf in Florence.

In 1902 dingt Free mee naar de Prix de Rome voor de beeldhouwkunst, en wint de eerste prijs met haar beeld De Smart (gips, 56 bij 120 cm, zie Beeldenzaal). De Prix de Rome is een vergelijkend examen, dat na het toelatingsexamen nog twee stadia kende, de proefkamp en de eindkamp. In de proefkamp had Free gekozen voor dit keuzethema, de smart, en dat uigewerkt in het hiernaast afgebeelde ontwerp in klei. Het meet slechts 14 bij 21 cm, maar het moest in één dag af zijn.

 
Free Jeltsema, De Smart, Prix de Rome proefkamp
Collectie Rijksakademie

 

Prix de Rome

De Prix de Rome was destijds de toekenning van een jaargeld van 1200 gulden voor een stage in het buitenland, door het Ministerie van Binnenlandse Zaken, na een vergelijkende prijskamp georganiseerd door de Akademie. De winnaar kreeg ook een gouden erepenning.
De bursaal moest onder leiding van een buitenlandse topkunstenaar werken, musea bezoeken, een of twee afgesproken werkstukken produceren, en maandelijks verslag uitbrengen. Bij goed gevolg kon de beurs tot vier jaren voortgezet worden.


Door die maandelijkse rapporten aan Mr. Sillem, secretaris van de Commissie van Toezicht, is er van Free Jeltsema in het archief van de Rijksakademie een schat aan gegevens bewaard gebleven, al gaan de brieven vaak over onbenulligheden, als tijdgebrek om eerder te schrijven, het wel of juist niet vervoeren van kleimodellen, en verzoeken om uitstel tot inleveren. Maar er is ook de nog nauwelijks ontgonnen mijn van Free's uitspraken over haar ervaringen in musea en dus de invloeden die dat moet hebben gehad op eigen werk. Zo kan ze weinig waardering opbrengen voor Rodin. Veel belangstelling heeft ze voor geplooide gewaden, waar ze ook schetsen van maakt als studie voor later. Gotische kathedralen, werken van Mantegna, en Tanagrabeeldjes uit de Griekse oudheid. Kunst moet tijdloos zijn. Prachtige Griekse en Egyptische werken gezien. Hier ontstaat ook haar enthousiasme voor de penningkunst, die leidt tot een stage van negen maanden bij de Franse penningmaker Chaplain, in het tweede jaar.
Voor het eerste stipendiumjaar (1903) was afgesproken dat het in Parijs zou beginnen, onder leiding van Leenhoff, met een voortzetting in Rome bij Pander. Dat laatste is uitgesteld tot later. In Parijs heeft Free haar werkstuk Moeder en Kind gemaakt, dat haar de goedkeuring voor een tweede stipendiumjaar heeft opgeleverd. In de zomervakantie gaat ze naar Uithuizen en daar ontwerpt ze van de beeltenis van haar vader Rembertus een penning, die in 1905 in Parijs ook echt geslagen is.
 

 


Free Jeltsema, Studie plooien
Noord-Hollands Archief


Free Jeltsema, Brief uit Parijs aan Rijksakademie
Noord-Hollands Archief

 


Chaplain

Het hele jaar 1903 klaagt Free over moeheid, maar in december is ze echt overspannen naar Uithuizen teruggekeerd. In de eerst maanden van 1904 wil ze het tweede stipendiumjaar steeds maar uitstellen. De klacht is nu bloedarmoede. Maar in april 1904 begint ze toch bij Chaplain. Ze heeft voorgesteld om een ontwerp te maken voor de prijspenning voor toekomstige Prix de Rome-winnaars. De Rijksakademie stemt daarmee in. Als tweede werkstuk moet Free een reliëf boetseren, in gips afgegoten. Dat is onder de titel De Dans goedgekeurd als examenwerk voor het derde jaar.
Free wil Minerva afbeelden op de prijspenning. De Akademie ziet daar liever een Apollo. Maar Free drukt haar voornemen door: ze zou in ernstige problemen komen met de kamerverhuurder als daar een naakte man als model zou poseren. In augustus wordt de voorzijde afgegoten, maar de keerzijde valt en zijn grondplaat breekt. De hoeveelheid werk aan een penning viel Free tegen. Het kost zeker 2/3 van de tijd voor een statue.

 



Free Jeltsema, Ontwerp prijspenning
Collectie Geldmuseum




 

Free Jeltsema, Meisje met spiegel
Collectie Groninger Museum

 


Een theatervoorstelling van de beroemde Isadora Duncan wekt bij Free plannen op voor een danseres met een wervelend gewaad. Ook ontvouwt ze ideeën over een meisje dat zich kapt, met in haar hand een spiegel.

Het derde stipendiumjaar (1905) is Free weer in Parijs. Haar vaste toeverlaat Leenhoff is veel ziek, zodat Free zijn atelier mag gebruiken. Maar zelf heeft ze fijt aan haar rechterduim opgelopen. Dat belet het werken.
 



Toch kan Free in het najaar van 1905 een kist naar de Rijksakademie sturen met zeven gipsafgietsels, als resultaat van haar Prix de Rome-werk van het afgelopen jaar.
1. onvoltooide portretstudie, buste
2. bas-relief De Dans
3. bas-relief Venus en Amor
4. portret medaillon Leenhoff
5. keerzijde van medaillon nr. 4
6. portret medaillon vader Rembertus
7. medaillon Minerva, ontwerp prijspenning

Met uitzondering van nummer 1 zijn alle gipsontwerpen (op schaal verkleind) in metaal uitgevoerd. Ze zijn te zien op deze webpagina, in het Penningkabinet en in de Beeldenzaal.
 
Free Jeltsema, Danseres Isidora Duncan
ivoor 44 cm hoog, particuliere collectie



 

Free Jeltsema, Venus en Amor, giips 23,5 cm
Collectie Groninger Museum



  specialisme penningen
In de loop van de Prix de Rome-stage komt Free tot het inzicht dat ze penningkunst wel heel aantrekkelijk vindt als specialisme voor een beeldhouwer.
Ze krijgt dan toestemming om een tweede jaar onder leiding van Chaplain te blijven studeren. En in plaats van na 1 jaar in Parijs verder te trekken naar Rome, blijft ze in het tweede en derde Prix de Rome-jaar (1904 en 1905) bij de penningkunstenaar Chaplain. Vandaar dat er nu zoveel ontwerpen in de categorie "penningen" vallen.
Zoals blijkt uit Venus en Amor, waarvan het gipsmodelé hiernaast is afgebeeld (en de plaquette in brons op schaal hieronder) had Free daar inderdaad veel aanleg voor. Ze weet de klassieke onderwerpen heel fantasierijk uit te werken, in het kleine hoogteverschil.




Free Jeltsema, Venus en Amor, brons 6,5 cm
Collectie Groninger Museum
 
Het hiernaast getoonde gipsmodel, evenals de Leenhoff-penning en zijn keerzijde, zijn alle drie in eenzelfde houten houder bij het Groninger Museum beland. Omdat deze stukken bij elkaar gebleven zijn nemen we aan dat dit gipsmodel de onder 1 genoemde onvoltooide portretsudie is.
Hoewel de correspondentie van Free met de Rijksakademie geen verdere informatie verschaft speculeren we er op dat Free met dit penningontwerp een wensdroom heeft gematerialiseerd: een betaalmunt met het portret van de toenmalige (1905) vorstin Wilhelmina. De sterke overeenkomst met het kwartje uit die jaren is te toevallig. Een rondschrift met een tekstinhoud van die strekking heeft Free kennelijk niet aangedurfd, het gipsmodel is onvoltooid gebleven.
 
Free Jeltsema, gipsmodel buste
Collectie Groninger Museum
 

 




 
huldigingspenning
In november 1905 vertrekt Free met toestemming naar München waarvandaan ze na een maand alweer teruggeroepen wordt: er is een opdracht gekomen voor een huldigingspenning in verband met de overdracht van het Museum Mesdag door de schenkers H.W. en Sientje Mesdag. Hiermee is Free Jeltsema nu echt beroepsbeeldhouwer geworden. Overigens is het niet de eerste keer dat ze een honorarium voor beeldhouwwerk zal ontvangen, want de Rijksakademie heeft ieder jaar ook wel een examenstuk aangekocht voor rond de 500 gulden. De huldigingspenning heeft nog een andere heel belangrijke consequentie gehad: het is het begin van een levenslange vriendschap met de schilderes mevrouw Geesje Mesdag-van Calcar, de schoonzuster van H.W. Mesdag, en sinds 1902 de weduwe van de schilder Taco Mesdag. Bij deze gelegenheid biedt Geesje aan Free atelierruimte en onderdak aan tijdens het snijden van de penning. Maar vanaf 1910, wanneer Jeltsema terugkeert van een verblijf in Parijs, verandert dat tijdelijke aanbod in een permanente situatie op het adres Scheveningseweg 92a.
De gipsen originelen van de huldigingspenning (die nog steeds in het bezit zijn van de Akademie) worden in januari 1906 naar Begeer in Utrecht gestuurd. Daar worden de stempels gefreesd, en in februari heeft Free de gelegenheid om ze bij te werken met graveren en ciseleren. Waarna de stempels weer naar Utrecht gaan voor afslagen in goud, zilver en brons. Net op tijd klaar voor het grote feest op 23 april. De kunstenares is niet aanwezig bij de plechtige uitreiking. Ze heeft dan trouwens wel wat anders aan haar hoofd.
 

Free Jeltsema, huldigingspenning
gipsmodellen, doorsnee 16 cm

 
vrouw wordt man
Het kan zijn dat deze eerste officiële opdracht Free zoveel zelfvertrouwen heeft gegeven dat zij eindelijk bij Leenhoff in Parijs en later bij Dr. Schreve in Amsterdam heeft opgebiecht dat ze geen vrouw is maar een man. En Schreve licht onverwijld de Rijksakademie in (13 april). Sillem vermeldt in zijn notulen van de Commissie van Toezicht dat huisgenoten in Parijs dat feit al ontdekt hadden in het tweede stipendiumjaar, dus 1904. Zij hadden deze kennis misbruikt om Free geld af te persen. Het zou niet verbazen als hier had moeten staan "het eerste stipendiumjaar", want dan werd ineens heel duidelijk waarom Free de terugkeer naar Parijs herhaaldelijk heeft willen uitstellen. Sillem schrijft verder dat vader Jeltsema al wantrouwig werd toen Free 3 was, en dat hij met haar consult had gevraagd aan de Groninger medicus prof. Ranke. Die heeft toen al vastgesteld dat Free van het manlijk geslacht was, maar het blijft onduidelijk waarom vader Jeltsema is doorgegaan Free als meisje op te voeden.

Voor leken bestaat er geen twijfel: iemands is òf een jongen òf een meisje. Op de middelbare school heet het: met chromosoompaar XY ben je een man, met XX een vrouw. Bij nader inzien ontwikkelen zich niet alle organen op de verwachte manier zelfs als iemand bijvoorbeeld manlijke cellen heeft. Dat gebeurt namelijk pas onder invloed van de aanmaak van het juiste hormoon. De productie daarvan kan verstoord zijn. En zelfs als de productie in orde is, kan de gevoeligheid voor het hormoon ontbreken.
Volgens deskundigen is er bij een op de 250 geboorten iets wat niet helemaal binnen de normen valt (P. Klene).
Er lopen in Nederland naar schatting meer dan 600 mensen rond die er uitzien als - soms heel aantrekkelijke - vrouwen, maar zonder baarmoeder of eierstokken.
 
Free Jeltsema nog vrouw



Fré Jeltsema als fiere man (Firenze 1906)
 
gerechtelijke stappen
Het is niet bekend wat voor een advies prof. Ranke aan Rembertus heeft gegeven. Mogelijk heeft hij gezegd, de puberteit af te wachten, misschien dat die meer duidelijkheid zou brengen in het geval van Free. Maar een gesprek tussen ouders en kind wordt dan nog veel moeilijker, evenals de schande die al rond een driejarige dreigt in een dorpsomgeving. Zeker is dat het voor Free niet als een verrassing kwam dat er iets mis was. Bij academisch tekenonderwijs was ze ongetwijfeld in aanraking gekomen met manlijk en vrouwelijk naakt. Dat ze in verwarring verkeerde over haar identiteit blijkt uit een foto van haar van rond haar twintigste. Ze draagt het haar in een vlecht die van boven op het hoofd naar achteren samengebonden is, en oorknopjes, terwijl ze gekleed gaat in een mannencolbert met stropdas.
Via een gerechtelijke procedure op 11 mei 1906 heeft Free laten verklaren dat ze ten onrechte als meisje in het geboorteregister is opgenomen. Uit een aantekening in dat register blijkt dat ze in het vervolg Frederik Engel heet. De kranten, alert geworden door de recente rol van Jeltsema bij de huldiging van het echtpaar Mesdag-Van Houten op 23 april 1906, maken opgewonden melding van de geslachtsverandering. De chantage wordt niet vermeld, maar het heet hier dat een Parijse politieman haar wilde arresteren op verdenking van travestie.
Vanaf nu is het "de heer Jeltsema", zoals de advocaat laat weten die hem per poste restante in Florence vraagt naar welk adres hij zijn nota moet sturen.
Het lijkt onbescheiden om zo openlijk over iemands seksuele geaardheid te schrijven. Maar dat is in dit geval toelaatbaar omdat de betrokkene al zo lang dood is, en er geen kinderen zijn noch andere nauwe verwanten. De verandering van vrouw naar man was zuiver administratief zonder medische ingrepen. Het heeft ook niets uitstaande met homoseksualiteit, waar sommigen op geloofsgronden aanstoot aan zouden kunnen nemen. Overigens heeft zijn geslachts-verandering Fré niet geschaad in zijn carrière.
 

 


Brief van advocatenkantoor aan de heer Fré Jeltsema

 

Florence
Door alle tussenkomende beslommeringen had Fré nog niet kunnen voldoen aan de contractuele verplichting, een studiereis naar Italië te maken in zijn vierde stipendiumjaar. De Minister van Binnenlandse Zaken begint ongeduldig te raken. Daarom gaat Fré op 1 juli 1906 spoorslags op weg naar de Nederlandse consul in Italië, gevestigd te Florence. Haar vlecht afgeknipt, in lange broek, en met steun van een zorgzame Leenhoff. De voorgenomen werkstukken zijn een beeld van Victoria en van Justitia. Die twee beelden komen inderdaad tot stand, maar het is inmiddels wel november 1907 als de gipsafgietsels eindelijk naar Nederland verscheept worden.

Halverwege het werk aan Victoria is het naaktmodel zo dik geworden dat Fré zijn oorspronkelijke opzet moet wijzigen. Het wordt nu maar een Bacchante. Voor Justitia, gedrapeerd in klassieke plooien, zal hij later bij aankoop door de Akademie 400 gulden ontvangen.
In deze periode bezoekt Fré gedurende enkele dagen Pier Pander in Rome, waar hij veel nieuwe stukken aantreft sinds de vorige keer.

 

 


Fré Jeltsema
Bacchante met druiventros
Stadhuis Groningen
         



 

In december 1907 is hij weer thuis bij zijn ouders. En, o ja, dan ontvangt hij nog de gouden erepenning voor de Prix de Rome van 1902.
De voorzijde van de penning is ontworpen door J.C. Wienecke. De tekst op de keerzijde luidt
WEDSTRIJD IN DE BEELDHOUWKUNST AAN DE RIJKS AKADEMIE VAN BEELDENDE KUNSTEN.
De diameter bedraagt 5 cm, in de rand is het monogram JCW van de ontwerper afgedrukt.
Geen penning waar een kunstopleiding erg trots op kan zijn.
   
    Gouden erepenning voor de Prix de Rome in 1902 toegekend aan Free Jeltsema  

eigen atelier
Geesje Mesdag was begaan met haar beschermeling, die nu een echte man geworden was. In 1908 schreef Fré weer vanuit Villa Geesina een brief aan Sillem. Bij het bevolkingsregister is het wat minder duidelijk. Een definitieve inschrijving staat genoteerd op 1 september 1910, met als vorig adres "ambtshalve" uit Parijs, eerst op huisnummer 92 "bij Mesdag", later nummer 92a. Geesje had namelijk in de tuin een beeldhouwers-atelier met huisvesting voor hem laten bouwen. En in het testament van 1910 sprak ze over haar "pleegzoon" Fré Jeltsema. Hij moest na haar dood een museum in Villa Geesina vestigen, zoals in de inleiding van deze website vermeld staat. Samen maakten zij veel kunstreizen door Europa, waar Fré langzamerhand aardig de weg wist. Maar specifieke informatie over plaatsen en tijdstippen ontbreekt.

In 1911 bereikte H.W. Mesdag de leeftijd van 80 jaar. Een groep Pulchrileden, waaronder Geesje, besloot hem te verblijden met een gouden erepenning. Ook deze keer werd Fré aangezocht voor de uitvoering, nu als de heer Jeltsema.

 



Fré Jeltsema, erepenning bij de 80ste verjaardag van HW Mesdag, 1911
particulier bezit, uitvergroting beeldenaar, bestuur Pulchri Studio
staande HW Mesdag vz, rechts daarnaast Taco Mesdag pm

 
In dit atelier "bij Mesdag" zijn een aantal van zijn grote beeldhouwwerken tot stand gekomen: een beeld aan de gevel van het Vredespaleis, twee in Rotterdam aan het stadhuis, en het standbeeld van Johan de Witt op het pleintje De Plaats naast de Gevangenpoort in Den Haag.
In de periode 1910 tot 1920 exposeerde hij ook regelmatig in Pulchri Studio in Den Haag.

 
Jeltsema aan de slag met buste van Stead
 

Vredespaleis
De gevels van het Vredespaleis zijn rijk voorzien van beeldhouwwerk. De opdracht was expliciet om allegorische voorstellingen te maken, en niet het uitbeelden van historische gebeurtenissen. Jeltsema moest Het Geweten uitbeelden.
Deze vrouwenfiguur met handspiegel vraagt zich kennelijk af, of ze "zich nog wel recht in de ogen durft te kijken". Jeltsema kreeg er 1500 gulden voor. Het is het zevende beeld van rechts in de beeldengalerij ter hoogte van de eerste verdieping van het Vredespaleis. Jammer dat de beelden, die een afmeting hebben van 2,10 m, zo hoog staan. Je hebt een verrekijker nodig om te kunnen zien wat een lief gezichtje Het Geweten heeft.
De andere beelden op de galerij waren van Bram Hesselink, Toon Dupuis, Willem Retera, Bart van Hove, en Arend Odé.

Het Vredespaleis en de tuin zijn alleen tijdens een groepsexcursie te bezichtigen.

 



Fré Jeltsema, Het Geweten  
Vredespaleis Den Haag 


 


Vredespaleis, Den Haag

William Stead
 
Fré Jeltsema, ongeveer 35 jaar oud
 
De Engelse journalist William Stead was een zeer gerespecteerde vredesactivist. Hij was een van degenen die de Amerikaanse staalmiljonair Carnegie overtuigden van het belang van de oprichting van een paleis voor de vrede.
In Den Haag waren al twee internationale vredesconferenties gehouden. De doelstelling was toen niet het beslechten van concrete conflicten tussen staten, maar het beteugelen van de steeds verwoestender werking van het moderne wapentuig.
Carnegie schonk 1,5 miljoen dollar voor de bouw van een vredespaleis in Den Haag, en hij liet een zeer omvangrijke bibliotheek op het gebied van het volkenrecht aanleggen. William Stead was bij dit alles zeer betrokken. Maar hij was tenslotte journalist en wilde de eerste reis met het "onkwetsbare" passagiersschip de Titanic meemaken. Hij behoorde bij de ondergang van dit schip in 1912 niet tot de overlevenden.


 


William Stead, journalist en vredesactivist

 

 

 

Fré Jeltsema, Borstbeeld William Stead, Vredespaleis
  Een comité van bewonderaars gaf Fré Jeltsema de opdracht, een marmeren borstbeeld van Stead te maken. Het is in 1914 onthuld en het staat in het Vredespaleis op de begane grond in de gang naar de Grote Rechtzaal. Daar staan meer borstbeelden: onder andere Carnegie, Albert Schweitzer, Mahatma Gandhi en Nelson Mandela. Het tegelmozaiek op de achtergrond is van plateelbakkerij Rozenburg in Den Haag.  
Johan de Witt
Zowel in Den Haag als in Dordrecht, de geboorteplaats van de gebroeders Cornelis en Johannes de Witt, was destijds een comité actief tot oprichting van een standbeeld voor Johan de Witt. De opdracht voor het maken van het bronzen beeld werd verstrekt aan Fré Jeltsema, die het in 1916 klaar had.


Johan de Witt door Fré Jeltsema

Het werd op 12 juni 1918 onthuld in aanwezigheid van koningin Wilhelmina en prins Hendrik. Het jaartal zou kunnen wijzen op een 250-jarige herdenking van de Vrede van Breda en de Vrede van Aken, beide belangrijke verdiensten van De Witt. In de toespraak na de opening, gehouden in Pulchri Studio door de historicus dr. N. Japikse, wordt echter niet op die 250 jaar gezinspeeld. De tijd was kennelijk rijp voor dit eerbetoon aan de in 1672 zo gruwelijk aan hun eind gekomen broers. Ze waren door de schutterij gedood en door de opgehitste omstanders als varkens opengesneden en op Het Groene Zoodje bij de Gevangenpoort aan een paal gehangen.

Er had een controverse bestaan tussen de stadhouder en de raadpensionaris, die inmiddels al ontslag had genomen. De dubieuse rol van stadhouder Willem III, verre verwant van koningin Wilhelmina, is echter nooit opgehelderd. Zeker is dat hij vervolging van de daders heeft tegengehouden en hun zelfs gunsten heeft verleend.

 


Jeltsema en koningin Wilhelmina bij de
onthulling van het standbeeld












Onthulling standbeeld Johan de Witt 12 juni 1918. Foto Couvée

 
stadhuis Rotterdam
In de jaren 1913 tot 1920 werd in Rotterdam een kolossaal gebouw neergezet: het nieuwe stadhuis. Een verpauperde wijk was daarvoor afgebroken en het gebouw moest een uitstraling krijgen, passend bij de grote industrie- en havenstad die Rotterdam toen al was.
Het Raadhuis, zoals men het aanvankelijk noemde, werd opgetrokken in beton en bekleed met zandsteen. De voorgevel werd verfraaid met beeldhouwwerk dat de verschillende activiteiten in de stad moest uitbeelden. De zijgevels werden soberder van aanzien.
 
Noordzijde doorgang Stadhuis
Foto Fred Jan Kraan
 
In beide zijgevels was een beeld gepland op de stijl tussen de deuren naar de secretarie. Aan de noordkant moest bij de afdeling Onderwijs en Leerplicht een beeld komen van "een jong scholier", aan de zuidzijde moest "het Leven symbolisch herdacht door een jeugdigen figuur".
Jeltsema heeft ze gemaakt voor een bedrag van 2523,20 gulden: voor "2 figuren ingangen zijgevels" volgens het kasboek van 1919.
In afwijking van het oorspronkelijke plan werd in de zijgevels ook boven de twee poorten, met doorgang langs de binnenplaats, een beeld aangebracht. De beeldhouwer J. Keller, die in Engeland hoogleraar was, maakte hiervoor personificaties van De Plicht en de Tijd.


 
Stadhuis Rotterdam
foto T.Houdijk, Wikipedia,GNU licentie

 
Hoewel Jeltsema in zijn Parijse brieven zijn voorkeur betuigt voor tijdloze kunst, houdt hij zich niet erg aan de opdracht om personificaties te maken. De scholieren aan het stadhuis zijn helemaal niet zulke figuren die eeuwigheid uitdrukken. Je ziet daar een paar zeer concrete knapen. De jongen met het boek is een heel zelfverzekerd studentje. Die met het potloodetui is daarentegen een onzekere, bedachtzame leerling die zijn capuchon maar vast omhoog heeft gedaan voor een bui van kritiek. Beide zeer eigentijdse leerlingen met korte broek en kniekousen. Alleen de gestileerde plooimantels herinneren ons aan Jeltsema's voorkeur voor de klassieken. Niks geen rij hier van deftige dames en heren in nissen met een boek, palet of harp, en nog minder het artistieke niveau van een stel bontgekeurde draaiorgelpoppen, zoals de venijnige kritiek van sommige toenmalige en ook hedendaagse commentatoren ons wil aanpraten.

   
Tijdens het bombardement in 1940 is het stadhuis wonderbaarlijk genoeg gespaard gebleven. Alleen heeft het beton door de grote hitte van de branden in de omgeving barstjes opgelopen.
Het gebouw heeft nog steeds een publieksfunctie. De toegang tot de secretarie is geconcentreerd aan de noordzijde. Het is daar een voortdurend komen en gaan.
  Fré Jeltsema, Scholier met boek (noordzijde) en Scholier met cape (zuidzijde)
Stadhuis Rotterdam
 

Rembertus overleden
De vader van Fré is in 1919 in zijn 66ste jaar overleden. Fré moet erg op hem gesteld zijn geweest, want hij heeft opnieuw een plaquette van Rembertus gemaakt. Daarop kijk hij een andere kant uit dan op de penning die hij in de zomervakantie van 1903 had geboetseerd. De nieuwe plaquette is gemonteerd op de staande plaat van het ouderlijk graf in Uithuizen, dat volgens mondelinge overlevering, onbewijsbaar, door Fré ontworpen is. Er zat aanvankelijk ook een plaquette van zijn moeder Anje Westerhuis op, maar die was er voor 2007 afgevallen. Het Webmuseum heeft dat virtueel gerepareerd.
Vergeleken met de andere graven springt dat van de ouders echt in het oog door de plaquettes en de diervormige reliëfs, Egyptisch geïnspireerd. Links een hond, rechts een leeuw. Heel merkwaardig, deze asymmetrie. Ongetwijfeld een allegorische voorstelling, maar wat stelt het voor? De hond symboliseert trouw, de leeuw moed?
Door erfenis kwam Fré nu in het bezit van de Polderboerderij, waar hij ook geboren was. Misschien was dat al een beetje afgesproken, want in 1918 was hij een maandje in Uithuizen gaan wonen. Maar een boer zat er nog steeds niet in. In 1934 verkocht hij de hofstede aan zijn broer Simon, die de Folckumaheerd al had geërfd, zodat nu alles weer in één hand was. Waarschijnlijk heeft Fré het beeldje van een paard (zie Beeldenzaal) bij Simon gemaakt. Die had namelijk ook een paardenfokkerij.

 

 


Familiegraf Jeltsema Uithuizen


Detail familiegraf, ontwerp Fré Jeltsema
Foto's Fred Jan Kraan

 

getrouwd
In 1923, toen hij al 44 was, trouwde Fré met de tien jaar oudere Jeannette Blom, weduwe van Matthijs van Roggen. Op de foto zien ze er heel blij uit. Er is geen reden om te denken dat ze niet gelukkig zouden zijn. Het enige wat Fré haar misschien niet kon geven – kinderen – zou Jeannette niet van hem verlangen. Ze had al vier kinderen uit haar vroegere huwelijk. En zelfs een lief kleindochtertje, Tootje, waar Fré kennelijk veel van hield. Hij heeft in 1926 een borstbeeld van de zesjarige Tootje gemaakt, en hij heeft haar wel eens tekenles gegeven. Maar dat is nooit wat geworden . . .
Het jonge paar ging in Sprimont bij Luik wonen, waar de familie een buitenhuis bezat, en de fabriek van de prestigieuze Minerva-auto. Maar in 1926 woonden ze weer in de tuin van Villa Geesina. Ze waren daar dus ook als echtpaar welkom, en zijn er heel lang blijven wonen. Wel af en toe weer een paar jaar Sprimont. Van beeldhouwen kwam nu niet veel meer. Er is alleen de vermelding van een penning voor prof. Kraus en voor het 50-jarig bestaan van het Rijksmuseum, beide in 1935.

Het schijnt dat Jeltsema ontmoedigd was geraakt doordat de smaak langzamerhand was veranderd en zijn werk naast veel lof ook enige kritiek oogstte.
Wel bleef hij voor eigen genoegen kleine schilderijtjes maken. (Voorbeelden rechts hieronder)

 

 


Fré met Jeannette



Fré is lief met kinderen

 

de kunstenaar
Wat onmiddellijk opvalt is de veelzijdigheid van Fré Jeltsema. Beeldhouwer, penningmaker, tekenaar, schilder. En de verscheidenheid van materialen. En van onderwerpen.
Een penning bevat als regel een portret, ook bij Jeltsema. Maar hij maakt ook echt driedimensionale portretten: borstbeelden. Daarbij gebruikt hij schilderijen als het gaat om een historische persoon zoals Johan de Witt, of foto's bij personen die met een penning verrast moeten worden, zoals H.W. en Sientje Mesdag bij hun huldiging in 1906.
Jeltsema heeft heel duidelijk voorkeur voor de klassieke oudheid en de renaissance. Dat is het duidelijkste in zijn bronzen beeldjes, die bijna steeds de schoonheid van het menselijk naakt laten zien. Maar zonder nadruk op spierbundels, daarentegen wel actieve beweging. Jeltsema vermeldt ook belangstelling voor de Egyptische kunst. Een uiting daarvan is te zien op het grafmonument voor zijn ouders.

Als materialen komen we tegen, behalve brons: zandsteen, marmer, ivoor, terracotta, en uiteraard klei en gips.
Hij signeert meestal met zijn voorletters plus achternaam, FE Jeltsema. Daarbij zijn de F en de J op een kunstige manier in elkaar geweven. Mooi te zien in de ondertekening van zijn Parijse brief. Soms is er een monogram, samengesteld uit de letter FEJ, met dezelfde vervlechting.
Hij heeft een voorkeur voor glad en rond, en betuigt zijn afkeer van klodderig oppervlak en onnatuurlijke vervormingen die al in experimenten van zijn tijdgenoten aanwezig waren. Niettemin is er een groot verschil tussen de geposeerdheid van het – op de Grieken geïnspireerde – Geweten aan het Vredespaleis, en het eigentijds realisme van de Scholieren aan het Stadhuis in Rotterdam uit bijna dezelfde jaren.

Tijdens zijn Prix de Rome-stage kocht de Akademie, zoals gezegd, ieder jaar wel een examenwerk van Jeltsema. Die zouden reglementair anders in eigendom van de beursaal blijven.
Zulke gipsbeelden speelden een rol in het onderwijs: ze moesten nagetekend worden. De filosofie hierachter was dat je moest leren van anderen door imitatie. Pas na de imitatie kwam de inspiratie.
Hiermee samenhangend was ook de opvatting dat de eigen uitwerking van een thema dat al eens door een ander was afgebeeld, niet als plagiaat werd gezien. Er zijn bijvoorbeeld nogal wat schilders die Ophelia hebben geportretteerd, op haar rug drijvend in een slootje, bestrooid met kleurige bloemetjes. Zo sterk onderling gelijkend dat het flinke verbazing wekt in de huidige tijd met zijn nadruk op originaliteit meer dan op technische vaardigheid. Jeltsema was hierin een kind van zijn tijd. Een aantal van zijn werken vertonen thematische overeenkomst met die van andere kunstenaars, maar onderscheiden zich daarvan door levendigheid van houding of levensechtheid van gelaat en lichaamsbouw.

 

 

Schets van Tanagrabeeldje







Egyptisch motief op het familiegraf






Fré Jeltsema, De Smeekbede

 

 

de persoon
Fré had een vol gezicht, brede heupen, een hoge stem, en een dikke bos haar. Volgens mensen die hem gekend hebben, had hij een vriendelijk karakter. Hij heeft Geesje Mesdags verlies van Taco helpen verzachten.


Een artistiek begaafd nichtje van Geesje Mesdag had haar om advies gevraagd. Geesje had afwijzend gereageerd, en haar afgeraden om in de beeldende kunst haar beroep te zoeken. Daarentegen heeft Fré dat nichtje aangemoedigd. Inderdaad heeft ze de kunstacademie met succes doorlopen. Maar terugkijkend moest ze vaststellen dat van haar jaargenoten op de academie maar één medestudent enige bekendheid heeft verworven: Aad de Haas. En dan nog vooral door zijn omstreden kruisgang in het kerkje van het Zuid-Limburgse Wahlwiller. Die kruisgang is enige tijd verboden geweest door het Vaticaan.
Dus uiteindelijk kregen zowel Fré als Geesje gelijk met hun advies. In Nederlands is er maar plaats voor drie beroemde schilders: Rembrandt, Van Gogh en Mondriaan.


Jeltsema geeft ook blijk van sociaal gevoel. In 1920, als hij zijn Prix de Rome-periode al ver achter zich heeft, typt hij een lange brief met suggesties voor verbetering. Onder meer: de geproduceerde kunstwerken moeten nog enige tijd bij de maker kunnen blijven. Zo kan hij als zelfstandig beginnend kunstenaar tonen wat hij vermag. En er moet dan een extra slottoelage komen, waarmee hij het eerste half jaar een atelier kan bekostigen en een blok marmer aanschaffen.


Ondanks zijn zachtaardigheid was Fré ondernemend. Dat blijkt uit zijn vasthoudendheid in zijn opleiding, en uit zijn veelvuldige reizen. In zijn handschrift leest men kordaatheid en daadkracht. Dat staat enigszins in tegenstelling tot de ontmoediging in zijn tweede levenshelft. Volgens zijn omgeving kon hij niet goed tegen kritiek. Toen er wat aanmerking was op zijn dikke Bacchante ging hij die balorig in de tuin begraven (denkelijk niet het marmeren exemplaar van 2 meter!).


De omslag van het leven als vrouw naar man heeft hij goed verwerkt. Zijn meest productieve jaren volgen net op die omslag: 1906 tot 1920.
Op een keer zat hij in een gezelschap zelfs te zwetsen: "Als jongens gingen we in het speelkwartier vaak stiekem een sigaretje roken", en moest hij tot de orde geroepen worden: "Nou, nou, Fré".


Maar diep in zijn hart was er toch een onverwerkt verleden. Na zijn dood werd het briefje van de advocaat ontdekt onder de papiervoering van zijn bureaula.

 




Hieronder: Fré Jeltsema, zeven kleine schilderijtjes


 

 

 

geld speelt geen rol
Vanaf 1934 is Fré geen grootgrondbezitter meer.
In dat jaar sterft ook zijn moeder Anje, inmiddels 82 jaar oud. Fré zelf is dan 55, met een volle bos grijs haar.
In 1936 overleed zijn mecenas Geesje Mesdag-van Calcar en erfde Fré Jeltsema het huis, haar kunstschatten, en het grootste deel van haar geld, met de bepaling dat alles wat bij zijn dood zou resteren alsnog naar de bloedverwanten zou gaan. Een succesformule voor onenigheid. Tijdens de Duitse bezetting werd de villa gevorderd voor inkwartiering van het leger. Jeannette ging naar België en Fré naar Haren in Groningen. Dus niet naar zijn broer Simon. Volgens de familie konden zij elkaar niet meer luchten. De beeldenvoorraad heeft Fré in een loods bij zijn zuster Engeltje ondergebracht. Wat er met de kunstverzameling, het eigen werk en de privé-documenten van Geesje is gebeurd, vertelt het verhaal niet.

 


Fré met moeder Anje, zuster Jansje en neefje Willem Jan


Na de oorlog is Fré teruggekeerd. Of dat ook voor Jeannette geldt is niet duidelijk. Hij staat wel op een foto uit 1948 bij de viering van haar 80ste verjaardag.
Fré is dan 70, nauwelijks ouder geworden lijkt het.


Familiefoto, Fré Jeltsema rechts

 






F.E. Jeltsema, Kasteel de Cannenburgh









Anje Jeltsema-Westerhuis met Rembertus Jeltsema
 


laatste eer

In 1946 kwam Mien Oorbeek bij Fré wonen op de Scheveningseweg 92a, maar wanneer ze getrouwd zijn, in een voor Fré tweede huwelijk, is voor een buitenstaander niet zo makkelijk te achterhalen.
Op zeker moment heeft Fré Villa Geesina verkocht en is hij samen met Mien in de Groen van Prinstererlaan gaan wonen. Het huis en de garage stonden vol beelden, vertelt een neef van Mien, die als beloning voor een bewezen dienst een beeldje mocht uitzoeken. In 1928 had Fré op verzoek van de directeur van de Rijksakademie enkele gipsmodellen terug moeten halen (Moeder en Kind, Justitia en De Dans). In 1960 heeft hij een marmeren uitvoering van de Bacchante en een groten bronzen versie van de Zittende Jongeling aan de gemeente Groningen geschonken. De laatste staat op het Emmaplein, de eerste in het stadhuis.
Fré was inmiddels 80 en hij was nu ziekelijk geworden. Meestal lag hij in bed achter een glazen wand. Ondanks dat is hij 91 jaar geworden voordat hij in 1971 op 10 februari overleed.
Door zijn lange leven had hij twee vermogens voor een aanzienlijk deel opgesoupeerd, dat van Rembertus en dat van Taco Mesdag.
Bij zijn dood moet Fré een huis vol beeldjes hebben achtergelaten. Waar zijn zij gebleven?
Gelukkig is er genoeg gevonden om er de Beeldenzaal mee te vullen. Daardoor hebben we een oud plan van mevrouw Mesdag-van Calcar toch nog kunnen verwezenlijken: de inrichting van een museum ter ere van Taco Mesdag, Geesje van Calcar en

Fré Jeltsema.      

   
Fré Jeltsema, Zittende Jongeling, Emmaplein Groningen
 

 

Rob en Winky Vetter

 

     
Voor deze monografie zijn vrijwel uitsluitend primaire bronnen geraadpleegd: de archieven van de gemeenten Uithuizen, Groningen, Den Haag en Rotterdam, en van de Rijksakademie van Beeldende Kunsten, het Vredespaleis, het Notarieel Register, het Geldmuseum, het Groninger Museum en het RKD. En verder is er veelvuldig gebruik gemaakt van mondelinge en schriftelijke gegevens, en foto's, van een aantal families van verwanten, en van verschillende (vaak particuliere) onderzoekers. De kunsthistoricus dr.Marguerite Tuijn, en vanuit de familie Cees Faeseler, hebben zeer veel waardevolle informatie bijgedragen.
Aan allen die medewerking verleend hebben: hartelijk dank.
  De Jeltsemavleugel omvat ook:

- de Beeldenzaal
- het Penningkabinet, en verder – op de Leestafel – de leesstukken:
- Fré Jeltsema, beeldhouwer m/v (korte biografie)
- Een goed gebaar van Johan de Witt (interpretatie van het standbeeld)
- Het geheim van de beeldhouwer (artikel over beeldhouwtechnieken)
 

www.mesdagvancalcar.nl, 15 maart 2008, 15 april 2011, 1 april 2013, 15 maart 2014